Levenskunst
Om als ‘levensgenieter’ benaderd te worden en dan nog wel na verwijzing door een collega (Floris), dat is iets, daar kan ik van genieten. Want 68 jaar geleden leek het er niet op dat het zo’n kant op zou gaan.
Ik werd toen midden in de oorlog, in 1942 geboren. Mijn geboorte was al kantje boord, want in een foute omgeving werden mijn zieke moeder en ik aan ons lot overgelaten. Zij had weinig of niets voor mij te eten en een jaar later ging ik al weer bijna de pijp uit, nu aan een TBC besmetting. Mijn overlevingsmechanismen werden meteen hoog opgepookt en mijn hele jeugd werd ik op gezette tijden achtervolgd door zeer angstwekkende waanbeelden van het hiernamaals waar ik blijkbaar met mijn hakken over de sloot aan was ontsnapt…
Geen goeie start zou je zeggen, maar daar ben ik later heel anders over gaan denken. Op mijn dertiende was ik weer bijna dood, na een fout behandelde infectie. Maar toen beleefde ik het dagen lang vechten om te overleven, heel bewust. Als je het haalt ben je daarna nooit meer bang voor de dood en dus ook nooit meer bang voor wat dan ook. Dat gaf me een grote rust en zelfverzekerdheid. Met mij kon niets meer gebeuren, ik kon alles verdragen en dus alles proberen.
Met ware doodsverachting de meest gewaagde toeren uithalen is niets voor mij. Dat kan wel, maar ik taal er niet naar. Voor mij geen achtbaan of een horrorfilm, geen parachutesprong of bumpy jump. Juist niet! Ik krijg geen adrenaline shot van zo’n zinloos schijngevaar. Veel interessanter werd de kwaliteit van de gewone dagelijkse gebeurtenissen. Daarin schuilt immers de levenskunst. Alles wat je kan nog beter doen en daarvan genieten, vooral als anderen daar van kunnen meegenieten. Dat is echte fun.
In mijn vrije tijd leerde ik van mijn vader en grootvader vele handvaardigheden om alles wat ik maar hebben wilde zelf te kunnen maken en nog altijd repareer en knutsel ik van alles in elkaar. Daarbij speelt een uitspraak van Leonardo Da Vinci altijd door mijn hoofd: Een goed ontworpen ding, dat goed werkt is ook mooi, die dingen gaan samen. Ik leerde van de techniek om eerlijk te zijn, vooral tegen mijzelf, of ik wel goed werk geleverd had, maar meer nog of het anderen en mijzelf ook voldoening gaf.
Die instelling maakte het begin als organisatieadviseur niet altijd gemakkelijk, omdat er in die omgeving vaak duistere spelletjes gespeeld worden. Het gaat immers om de knikkers. Om ook dat spel eerlijk te kunnen spelen vond ik dat ik vooral alles goed moest begrijpen. Mijn gevoel en intuïtie waren in mijn prilste jeugdjaren behoorlijk in de war geraakt. Pas veel later kon ik mijn gevoel daarbij weer gebruiken als een extra toets op wat ik eerst zelf had bedacht.
Na een aantal jaren kon ik het carrièregedoe los laten en kiezen voor het zelf ontwikkelen van een nieuw soort wetenschap, “het zoeken naar Synergie”. Daarmee kreeg mijn leefwijze tot mijn eigen verbazing en genoegen een hecht doortimmerde ondergrond. Vanaf dat moment begreep ik dat ik met plezier moest laten gebeuren wat ik wilde en als dat soms niet lukte met plezier moest willen wat er gebeurde. Het bleek waar dat je aandacht en liefde moest geven vooral aan die mensen die dat niet van je verwachten, dan krijg je dat dubbel en dwars terug.
Zo ontstond een bewust leven met wijsheid en kracht gericht op schoonheid. Ik trouwde een jeugdliefde, waarmee ik geen kinderen zou krijgen, maar we adopteerde wel een zoon. Een erg leuk kind dat later voor galg en rad leek op te groeien, maar waar we nu apen trots op zijn omdat hij niet alleen een goed florerend horecabedrijf heeft, waarin ik hem af en toe mag adviseren, maar vooral ook omdat hij ons samen met zijn partner een fantastische kleinzoon heeft bezorgd.
Het is mooi als je ontdekt dat het in het leven om het vinden van synergie gaat, dan lukt het je ook.
Rob Zuijderhoudt









